Het zevende vraagstuk: de verzwaring van het kwaad berokkenen van Quraysh jegens de Profeet salla-llaahu 3alayhi wa-sallam

Het zevende vraagstuk: de verzwaring van het kwaad berokkenen van Quraysh jegens de Profeet salla-llaahu 3alayhi wa-sallam

 

  • Aboe Djahl ibn Hishaam beweert de nek van de Boodschapper salla-llaahu 3alayhi wa-sallam te betrappen

Aboe Hurayrah radiya-llaahu 3anhu heeft verhaald, hij zei: “Aboe Djahl zei: “Drukt Muhammed zijn gezicht (op het zand) terwijl hij zich onder jullie bevindt?” Er werd gezegd: “Ja!”

Vervolgens zei hij: “Bij al-Llaat en al-3uzzaa! Als ik hem dat zie doen, dan zal ik op zijn nek trappen of zijn gezicht in het zand drukken. Vervolgens kwam hij tot de Boodschapper van Allaah salla-llaahu 3alayhi wa-sallam terwijl hij bad om op zijn nek te trappen.” Hij (aboe Hurayrah) zei: “Zij werden toen door hem verrast, terwijl hij terugdeinsde, en met zijn handen werend. Vervolgens werd er tegen hem gezegd: “Wat bezielt jou?” Vervolgens zei hij: “Voorzeker, er is tussen mij en hem een greppel van vuur, een verschrikking en vleugels.”

Vervolgens zei de Boodschapper van Allaah salla-llaahu 3alayhi wa-sallam: “Als hij dichter bij mij was gekomen dan zouden de engelen hem ledemaat voor ledemaat uiteengereten hebben.”1

 

3abdu-llaah ibn 3abbaas radiya-llaahu 3anhumaa heeft verhaald, hij zei: “Aboe Djahl zei: “Als ik Muhammad bij al-Ka3bah zie bidden dan zal ik naar hem toegaan, en op zijn nek trappen.” De Profeet salla-llaahu 3alayhi wa-sallam zei: “Zou hij dat doen, dan zouden de engelen hem zichtbaar ontnemen, en zouden de joden de dood wensen, dan zouden zij (zeker) sterven en hun zitplaatsen in het hellevuur zien2 , en zouden degenen die al-mubaahalah  ((“Mubaahalah” betekent de vervloeking van elkaar, waarbij twee groepen naar buiten treden met hun kinderen en familieleden, en vervolgens de ene groep de andere vervloekt als hij gelijk heeft. De geleerden constateren dat de groep die geen gelijk heeft binnen dat jaar sterft en zijn bezit kwijtraakt.)) met de Boodschapper van Allaah zouden verrichten, naar buiten zijn gegaan, dan zouden zij terugkeren, waarbij zij geen bezit noch hun families zouden vinden3 .”4

 3abdu-llaah ibn 3abbaas radiya-llaahu 3anhumaa heeft verhaald, hij zei: “(Op een dag) was de Profeet salla-llaahu 3alayhi wa-sallam aan het bidden, vervolgens kwam aboe Djahl, en zei: “Heb ik je dit niet verboden? Heb ik je dit niet verboden?” Vervolgens vertrok de Profeet salla-llaahu 3alayhi wa-sallam, waarop hij hem tierde, en zei: “Voorzeker, jij weet dat niemand (in Mekkah) meer bondgenoten dan mij heeft. Vervolgens zond Allaah 3azza wa-Djall (de volgende Aayaat):

﴿فَلْيَدْعُ نَادِيَهُ (17) سَنَدْعُ الزَّبَانِيَةَ (18)(العلق: 17-18)

-17- Laat hem dan zijn bondgenoten roepen. -18- Wij zullen de Zabaaniyah5 roepen.” (Aayah: 96/17-18).

Ibn 3abbaas zei: “Zou hij zijn bondgenoten roepen, dan zouden de Zabaaniyah van Allaah hen ontnemen.”6

 

(Volgens ibn 3abbaas radiya-llaahu 3anhumaa, imaam Mudjaahid rahimahu-llaah en imaam Qataadah rahimahu-llaah zijn ook de volgende Aayaat wegens aboe Djahl m.b.t. deze gebeurtenissen neergezonden:

﴿أَرَأَيْتَ الَّذِي يَنْهَى (9) عَبْدًا إِذَا صَلَّى (10) أَرَأَيْتَ إِنْ كَانَ عَلَى الْهُدَى (11) أَوْ أَمَرَ بِالتَّقْوَى (12) أَرَأَيْتَ إِنْ كَذَّبَ وَتَوَلَّى (13) أَلَمْ يَعْلَمْ بِأَنَّ اللَّهَ يَرَى (14) كَلَّا لَئِنْ لَمْ يَنْتَهِ لَنَسْفَعَنْ بِالنَّاصِيَةِ (15) نَاصِيَةٍ كَاذِبَةٍ خَاطِئَةٍ (16) فَلْيَدْعُ نَادِيَهُ (17) سَنَدْعُ الزَّبَانِيَةَ (18) كَلَّا لَا تُطِعْهُ وَاسْجُدْ وَاقْتَرِبْ (19)﴾ (العلق: 9-19)

-9- Wat denk jij van hem die verbiedt? -10- Een dienaar wanneer hij de Salaah verricht. -11- Wat denk je, als hij (Muhammed) de leiding volgt? -12- Of hij tot taqwaa oproept? -13- Wat denk jij, als hij (aboe Djahl) loochent en zich afwendt? -14- Weet hij dan niet dat Allaah (hem) ziet? -15- Nee, als hij niet ophoudt, dan zullen Wij hem bij zijn voorhoofdslok grijpen. -16- Een leugenachtige, zondige voorhoofdslok. -17- Laat hem dan zijn bondgenoten roepen. -18- Wij zullen de Zabaaniyah roepen. -19- Nee, gehoorzaam hem niet, en kniel je neer en zoek toenadering (tot Allaah). (Aayah: 96/9-19).)7

 

  • De daad van aboe Lahab

Rabie3ah ibn 3ubaad a-Ddaylie radiya-llaahu 3anhu heeft verhaald – hij was in die tijd ongelovig -, hij zei: “Ik zag de Boodschapper van Allaah salla-llaahu 3alayhi wa-sallam met mijn eigen ogen in de markt der metaforen (soeq dhu-l-Madjaaz)8 , zeggen: “O mensen, zegt ‘Laa ilaaha illa-llaah’ dan zullen jullie welslagen.” Hij trad in de wijde paden (van die markt), terwijl de mensen om hem samendromden. Voorwaar, ik zag dat niemand iets zei, en hij stopte niet met praten. Hij zei: “O mensen, zegt ‘Laa ilaaha illa-llaah’ dan zullen jullie welslagen.” Echter was achter hem een schele man met een mooi gezicht en twee vlechten, die zei: “Voorzeker, hij is een geloofsafvallige en een leugenaar.” Vervolgens vroeg ik: “Wie is dat?” Zij zeiden: “(Het is) Muhammed zoon van 3abdu-llaah, en hij beweert het profeetschap.” Ik zei: “En wie is degene die hem verloochent?” Zij zeiden: “Het is zijn oom aboe Lahab.” Vervolgens zei ibn aboe a-Zzinaad: “Je was dus toen nog jong?” Ik zei: “Nee, bij Allaah ik was toen bewust (van hetgeen wat gebeurde).”

 

En in een andere versie: “Voorzeker, ik was met mijn vader, en ik was toen een jongeman, en ik zag hoe de Boodschapper van Allaah salla-llaahu 3alayhi wa-sallam de stammen volgde, terwijl een man hem volgde die een mooi gezicht had en lang haar had. De Boodschapper van Allaah salla-llaahu 3alayhi wa-sallam ging voor een stam staan en zei: “O zonen van die en die, voorzeker, ik ben de Boodschapper van Allaah naar jullie. Ik beveel jullie Allaah te aanbidden en geen deelgenoot aan Hem toe te kennen, en dat jullie mij geloven, opdat ik hetgeen waarmee Allaah mij gestuurd heeft kan uitvoeren.”

Wanneer hij zijn toespraak eindigde, zei de andere vanachter hem: “O zonen van die en die, voorzeker, hij wil dat jullie a-Llaat en al-3uzzaa verlaten, en ook jullie bondgenoten van de Djinns waaronder de zonen van Maalik ibn Aqyash, voor hetgeen waarmee hij gekomen is van innovatie en dwaling. Voorwaar, luistert niet naar hem, en volgt hem niet.” Vervolgens vroeg ik mijn vader: “Wie is dat?” Hij zei: “Het is zijn oom aboe Lahab.”9

 

  • 3uqbah ibn Mu3iet berokkent de Boodschapper van Allaah salla-llaahu 3alayhi wa-sallam kwaad

3abdu-llaah ibn Mas3oed radiya-llaahu 3anhu heeft verhaald, hij zei: “Terwijl de Boodschapper van Allaah salla-llaahu 3alayhi wa-sallam bij het Huis10 bad, en aboe Djahl en een aantal van zijn vrienden (daar) zaten – zij slachtten een dag daarvoor een kameel -, zei aboe Djahl: “Wie onder jullie zou opstaan om de placenta11 van de kameel12 van de zonen van die en die te nemen, en ze op de schouders van Muhammed te leggen wanneer hij neerknielt?” Voorwaar, de slechtste onder hen stond op, nam ze en legde ze op de schouders van de Profeet salla-llaahu 3alayhi wa-sallam toen hij neerknielde, waarop zij hem uitlachten en over elkaar heen hingen, terwijl ik stond te kijken. Als ik een beschermer had, dan had ik ze van de rug van de Boodschapper van Allaah salla-llaahu 3alayhi wa-sallam afgehaald. De Profeet salla-llaahu 3alayhi wa-sallam bleef neergeknield en verhief zijn hoofd niet. Toen vertrok iemand naar Faatimah en berichtte haar. Vervolgens kwam zij – zij was toen een jong meisje -, en gooide het van hem af, en ging vervolgens hen schelden. Voorwaar, toen de Profeet salla-llaahu 3alayhi wa-sallam zijn Salaah voltooide, verhief hij zijn stem en verrichte smeekbedes tegen hen – als hij toen (Allaah) smeekte, smeekte hij driemaal, en als hij (Allaah) om iets vroeg, vroeg hij het driemaal -, en zei: “O Allaah, ik laat Quraysh aan u over” driemaal. Toen zij zijn stem hoorden, verging van hen het lachen, en vreesden zij zijn smeekbede, vervolgens zei hij: “O Allaah, ik laat aboe Djahl ibn Hishaam en 3utbah ibn Rabie3ah en Shaybah ibn Rabie3ah en al-Walied ibn 3utbah en Umayyah ibn Khalaf en 3uqbah ibn abie Mu3iet aan U over.” Hij noemde nog een zevende, echter heb ik die niet onthouden. Voorwaar, bij Degene Die Muhammed salla-llaahu 3alayhi wa-sallam met de waarheid heeft gestuurd, ik heb degenen die hij genoemd heeft, in de slag van Badr dood gezien. Vervolgens werden zij naar al-Qulayb13 gesleept: de Qulayb van Badr.”14

Wat betreft de zevende, hij wordt in de versie van imaam al-Bukhaarie genoemd: “3ammaarah ibn al-Walied.”15

3abdu-llaah ibn Mas3oed radiya-llaahu 3anhu heeft verhaald, hij zei: “Terwijl de Boodschapper van Allaah salla-llaahu 3alayhi wa-sallam in de moskee was, en aboe Djahl ibn Hishaam, Shaybah en 3utbah de twee zonen van Rabie3ah, 3uqbah ibn Mu3iet, Umayyah ibn Khalaf en twee andere mannen – het waren zeven (in totaal) – in al-Hidjr waren, was de Boodschapper van Allaah aan het bidden, voorwaar, toen hij neerknielde en lang in de neerknieling bleef, zei aboe Djahl: “Wie van jullie komt tot de kameel van de zonen van die en brengt ons zijn pens, opdat wij het over Muhammed omkiepen. Voorwaar, de slechtste onder hen – 3uqbah ibn Mu3iet – vertrok en kwam ermee en smeet het op zijn schouder, terwijl de Boodschapper van Allaah salla-llaahu 3alayhi wa-sallam neergeknield was. Ibn Mas3oed zei: “Ik stond en kon niet spreken, ik had geen bescherming die kon beschermen16 . Voorwaar, toen ik weg wilde gaan, hoorde ik Faatimah de dochter van de Boodschapper van Allaah salla-llaahu 3alayhi wa-sallam. Voorwaar, zij kwam en smeet dat weg van zijn schouder en keerde zich tot Quraysh, hen scheldend. Voorwaar, zij antwoordden haar niets.

Vervolgens verhief de Boodschapper van Allaah salla-llaahu 3alayhi wa-sallam zijn hoofd op de wijze waarop hij zich van de sudjoed verheft. Voorwaar, toen de Boodschapper van Allaah salla-llaahu 3alayhi wa-sallam zijn gebed voltooide, zei hij: “O Allaah, geef Quraysh (wat zij verdienen)” driemaal. “Geef 3utbah en 3uqbah en aboe Djahl en Shaybah (hetgeen zij verdienen)”. Vervolgens trad hij de moskee uit, hierbij trof aboe al-Bakhtarie hem aan, die een zweep tegen zijn zij hield. Voorwaar, toen hij de Profeet salla-llaahu 3alayhi wa-sallam zag en (de gesteldheid van) zijn gezicht verafschuwde, zei de Profeet tegen hem: “Laat mij.” Hierop zei hij: “Allaah heeft geweten dat ik je niet zou laten totdat je me bericht over jouw toestand. Voorzeker, iets heeft jou getroffen.” Voorwaar, toen de Profeet salla-llaahu 3alayhi wa-sallam wist dat hij hem niet zou laten, vertelde hij het hem, en zei: “Voorzeker, aboe Djahl beval dat er een pens op mij gelegd wordt (en het werd gedaan).” Aboe al-Bakhtarie zei: “Kom mee naar de moskee.”

Voorwaar, de Profeet salla-llaahu 3alayhi wa-sallam en aboe al-Bakhtarie traden de moskee binnen. Vervolgens kwam aboe al-Bakhtarie naar aboe Djahl, en zei: “O aboe al-Hakam, heb jij tegen Muhammed bevolen, waarop de pens op Muhammed werd gelegd?” Hij zei: “Ja.” Vervolgens hief hij (aboe al-Bakhtarie) de zweep op en sloeg ermee op zijn hoofd. Vervolgens rebelleerden de mannen tegen elkaar, waarop aboe Djahl riep: “Wee jullie, deze is voor hem, voorzeker Muhammed wil slechts tussen ons vijandschap opwekken, terwijl hij en zijn metgezellen ermee weglopen.”

 

En in een andere versie: “Toen de Boodschapper van Allaah salla-llaahu 3alayhi wa-sallam zijn hoofd verhief prees hij Allaah lof en verheerlijkte Hem, en zei vervolgens: “Voorts, o Allaah geef de leiders onder Quraysh (wat zij verdienen).”17

 

  • De bijeenkomst van de leiders van Quraysh en hun slaan van de Boodschapper van Allaah salla-llaahu 3alayhi wa-sallam

Asmaa’ bint aboe Bakr heeft verhaald dat men haar vroeg: “Wat is het heftigst waarmee de veelgodenaanbidders de Profeet salla-llaahu 3alayhi wa-sallam getroffen hebben, van hetgeen jij gezien hebt?” Hierop zei ze: “De veelgodenaanbidders zetten een stellage op om te zien wat de Boodschapper van Allaah salla-llaahu 3alayhi wa-sallam deed en wat hij over hun goden zei. Voorwaar, terwijl zij daar waren kwam de Boodschapper van Allaah salla-llaahu 3alayhi wa-sallam aanlopen, waarop zij allen naar hem opstonden. Voorwaar, het hulpgeroep bereikte aboe Bakr, waarop men tegen hem zei: “Schiet jouw vriend te hulp.” Hierop trad hij bij ons vandaan uit – hij had vier haarvlechten – terwijl hij zei: “Wee jullie, doden jullie een man die zegt: “Mijn Heer is Allaah”, terwijl hij naar jullie met de duidelijke tekenen van jullie Heer is gekomen?” Voorwaar, zij werden van de Boodschapper van Allaah salla-llaahu 3alayhi wa-sallam afgeleid en kwamen tot aboe Bakr radiya-llaahu 3anhu. Vervolgens kwam aboe Bakr terug naar ons, waarbij hij geen enkele van zijn haarvlechten liet aanraken, en hij kwam met hem mee terug, terwijl hij aan het zeggen was: “Tabaarakta yaa dhal djalaali wa-l-ikraam”, “Gezegend bent U o Bezitter van de Majesteit en Edelheid”.18

3abdu-llaah ibn 3abbaas radiya-llaahu 3anhumaa heeft verhaald, hij zei: “De leiders van Quraysh kwamen bijeen in al-Hidjr, en gingen met elkaar het verbond aan in de naam van a-Llaat, al-3uzzah, Manaat, a-Thaalithata-l-ukhraa, Naa’ilah en Isaaf19 dat: “Zouden wij Muhammed zien, dan zullen wij naar hem opstaan als één man. En wij zullen hem niet verlaten totdat wij hem vermoorden.” Hierop kwam zijn dochter Faatimah radiya-llaahu 3anhaa huilend naar de Boodschapper van Allaah salla-llaahu 3alayhi wa-sallam, en zei: “De leiders van Quraysh hebben met elkaar een verbond gesloten tegen jou, dat zouden zij jou zien, dan zouden zij naar jou opstaan en jou vermoorden. Voorwaar, elke man onder hen heeft zijn aandeel van jouw bloed opgeëist.” Vervolgens zei hij salla-llaahu 3alayhi wa-sallam: “O dochter, geef mij wadoe’.” Vervolgens verrichtte hij wudoe’, en ging hij de moskee bij hen binnen. Voorwaar, toen zij hem zagen zeiden zij: “Hier is hij.” Hierop lieten zij hun blikken neerdalen, en daalden hun kinnen naar hun borsten neer, en werden verstijfd in hun zittingen. Voorwaar, zij verhieven geen blik naar hem, en geen enkele man stond op naar hem. Vervolgens naderde de Boodschapper van Allaah salla-llaahu 3alayhi wa-sallam tot hen, totdat hij bij hun hoofden stond, en nam een schep van zand, en zei: “Verlelijkt zijn de gezichten”, en hij strooide het op hen. Voorwaar, elke man onder hen die met die kiezelstenen getroffen werd, werd als kaafir op de dag van Badr gedood.”20


  1. Deze hadieth is overgeleverd door imaam Muslim, imaam Ahmad, imaam a-Nnasaa’ie, imaam ibn abie Haatim, imaam ibn Djarier a-Ttabarie en imaam al-Bayhaqie. []
  2. no problem.. have done the same many times []
  3. Hier verwijst de Profeet salla-llaahu 3alayhi wa-sallam naar de volgende Aayaat:

    ﴿إِنَّ مَثَلَ عِيسَى عِنْدَ اللَّهِ كَمَثَلِ آَدَمَ خَلَقَهُ مِنْ تُرَابٍ ثُمَّ قَالَ لَهُ كُنْ فَيَكُونُ (59) الْحَقُّ مِنْ رَبِّكَ فَلَا تَكُنْ مِنَ الْمُمْتَرِينَ (60) فَمَنْ حَاجَّكَ فِيهِ مِنْ بَعْدِ مَا جَاءَكَ مِنَ الْعِلْمِ فَقُلْ تَعَالَوْا نَدْعُ أَبْنَاءَنَا وَأَبْنَاءَكُمْ وَنِسَاءَنَا وَنِسَاءَكُمْ وَأَنْفُسَنَا وَأَنْفُسَكُمْ ثُمَّ نَبْتَهِلْ فَنَجْعَلْ لَعْنَةَ اللَّهِ عَلَى الْكَاذِبِينَ (61) ﴾ (آل عمران: 59-61)-59- Voorwaar, de gelijkenis (van de schepping) van 3iesaa is bij Allaah als de gelijkenis (van de schepping) van Aadam. Hij schiep hem uit de aarde en zei vervolgens tegen hem: “Wees,” en hij was. -60- De waarheid komt van jouw Heer en behoor dus niet tot de twijfelaars. -61- Wie dan met jou (o Muhammed) over hem (3iesaa) redetwist, nadat de kennis tot jou is gekomen, zeg dan: “Laten wij onze zonen en jullie zonen en onze vrouwen en jullie vrouwen en onszelf en julliezelf bijelkaar roepen en dan gezamenlijk (Allaah’s vloek) afroepen en dan Allaah’s vloek toewensen aan de leugenaars.” (Aayah: 3/59-61). []

  4. Deze hadieth is overgeleverd door imaam al-Bukhaarie, imaam a-Ttirmidhie en imaam Ahmad. []
  5. “Zabaaniyah” is de benaming van de engelen der bestraffing. (ibn kathier). []
  6. Deze hadieth is overgeleverd door o.a. imaam a-Ttirmidhie, imaam a-Ttabarie, imaam Ahmad en imaam al-Bukhaarie. []
  7. Oorspronkelijke bron: Tafsier a-Ttabarie, uitleg van Soerah 96 “al-3alaq”. []
  8. “Soeq dhu-l-Madjaaz” is de markt waarin in de tijd van al-Djaahiliyyah de dichters hun gedichten aanboden, om daarmee geld te verdienen. []
  9. Deze hadieth is overgeleverd door imaam Ahmad, imaam al-Haakim, imaam a-Ttabaraanie en imaam al-Bayhaqie. []
  10. “Het Huis”: hiermee wordt al-Ka3bah bedoeld. []
  11. In deze versie van de hadieth wordt de placenta genoemd, echter worden er in een andere versie in sahieh al-Bukhaarie de maag, bloed en placenta genoemd. []
  12. In de versie van imaam Muslim staat dat deze kameel een dag van tevoren geslacht was. []
  13. Al-Qulayb: dat is de benaming van de put die op de dag van Badr niet gedicht was. []
  14. Deze hadieth is overgeleverd door imaam Muslim, imaam al-Bukhaarie en imaam Ahmad. []
  15. Deze versie is overgeleverd door imaam al-Bukhaarie. []
  16. Hiermee wordt bedoeld dat hij geen vrienden had die hem konden beschermen als hij de Boodschapper van Allaah salla-llaahu 3alayhi wa-sallam zou helpen, omdat zijn stamgenoten toen nog ongelovig waren, en zij de bondgenoten van Quraysh waren. []
  17. Deze hadieth is tot het verhaal van aboe al-Bakhtarie overgeleverd door imaam al-Bukhaarie en imaam Muslim, echter is het verder door imaam al-Bazzaar en imaam a-Ttabaraanie overgeleverd. []
  18. Deze hadieth is overgeleverd door imaam al-Humaydie, imaam aboe Ya3laa, en imaam aboe Na3iem. []
  19. Dit zijn namen van een aantal goden die door Quraysh aanbeden werden. []
  20. Deze hadieth is overgeleverd door imaam Ahmad, imaam aboe Na3iem, imaam ibn Hibbaan, imaam al-Haakim en imaam al-Bayhaqie. []