Vraag 5: Wanneer wordt een daad een aanbidding?

Antwoord:
(De daad wordt een aanbidding) als twee zaken daarin compleet zijn: volmaakte liefde gepaard gaande met volmaakte onderwerping (en ontzag).

Allaah subhaanahu wa-ta3aalaa zegt:

﴿وَالَّذِينَ آمَنُوا أَشَدُّ حُبّاً لِلَّهِ(البقرة: من الآية165)

“maar degenen die geloven zij zijn sterker in liefde voor Allaah.” (Aayah: 2/165).

Allaah subhaanahu wa-ta3aalaa zegt ook:

﴿إِنَّ الَّذِينَ هُمْ مِنْ خَشْيَةِ رَبِّهِمْ مُشْفِقُونَ(المؤمنون:57)

“Voorwaar, degenen van hen die bedacht zijn vanwege hun ontzag voor Allaah.” (Aayah: 23/57).

Hij subhaanahu wa-ta3aalaa zegt ook:

﴿إِنَّهُمْكَانُوا يُسَارِعُونَ فِي الْخَيْرَاتِ وَيَدْعُونَنَا رَغَباً وَرَهَباً و كَانُوا لَنَا خَاشِعِينَ(الانبياء: من الآية90)

“Voorwaar, zij wedijverden in goede daden en riepen Ons aan, verlangend (naar Onze genade) en vol ontzag (voor Onze bestraffing). En zij waren ootmoedig tegenover Ons.” (Aayah: 21/90).

Uitleg:
Er dient te worden voldaan aan twee voorwaarden om een daad een aanbidding te kunnen noemen. Deze twee voorwaarden zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden. Dat betekent dat wanneer één van deze voorwaarden vervalt, de daad niet meer als aanbidding beschouwd kan worden. Deze voorwaarden zijn:

-Kamaalu-l-hubb (Volmaakte liefde);

-Kamaalu-dhull wa-l-khawf (Volmaakte onderwerping (en ontzag[1]).

Dat betekent dat wanneer deze twee aspecten zich bevinden in de daad van een mens, deze daad een aanbidding is. En wanneer deze twee aspecten naar iemand gericht zijn, betekent het dat deze aanbidding ook naar hem gericht is. Vandaar dat deze twee aspecten slechts naar Allaah gericht horen te zijn. Wanneer dat niet het geval is, kent men een deelgenoot toe aan Allaah subhaanahu wa-ta3aalaa. Men mag elk van deze aspecten ook niet apart naar iemand anders dan Allaah richten. Zo mag men niet van iemand houden, net zo veel als hij van Allaah houdt. Allaah subhaanahu wa-ta3aalaa zegt:

﴿وَمِنَ النَّاسِ مَنْ يَتَّخِذُ مِنْ دُونِ اللَّهِ أَنْدَاداً يُحِبُّونَهُمْ كَحُبِّ اللَّهِ وَالَّذِينَ آمَنُوا أَشَدُّ حُبّاً لِلَّهِ وَلَوْ يَرَى الَّذِينَ ظَلَمُوا إِذْ يَرَوْنَ الْعَذَابَ أَنَّ الْقُوَّةَ لِلَّهِ جَمِيعاً وَأَنَّ اللَّهَ شَدِيدُ الْعَذَابِ(البقرة:165)

”Er zijn er onder de mensen die naast Allaah afgoden nemen, die zij liefhebben met de liefde als (die) voor Allaah, maar degenen die geloven zijn sterker in liefde voor Allaah. En als degenen die onrecht pleegden zouden weten wanneer zij de bestraffing zien, (dan zouden zij weten) dat alle macht aan Allaah behoort en dat Allaah hard is in de bestraffing.”(Aayah: 2/165).

Ook mag men niemand vrezen net zoveel als hij Allaah vreest. Allaah subhaanahu wa-ta3aalaa zegt:

﴿أَتَخْشَوْنَهُمْ فَاللَّهُ أَحَقُّ أَنْ تَخْشَوْهُ إِنْ كُنْتُمْ مُؤْمِنِينَ(التوبة: من الآية13)

“Vrezen jullie hen, terwijl Allaah er meer recht op heeft dat jullie Hem vrezen, als jullie gelovigen zijn?” (Aayah: 9/13).

Ook zegt Allaah subhaanahu wa-ta3aalaa:

﴿وَتَخْشَى النَّاسَ وَاللَّهُ أَحَقُّ أَنْ تَخْشَاهُ(الأحزاب: من الآية37)

“en jij de mensen vreest, terwijl Allaah er meer recht op heeft dat je Hem vreest.” (Aayah: 33/37).

Allaah de Heilige zegt ook:

﴿َلا تَخْشَوُا النَّاسَ وَاخْشَوْنِ(المائدة: من الآية44)

“Vreest daarom niet de mensen maar vreest Mij” (Aayah: 5/44).

Hij subhaanahu wa-ta3aalaa zegt ook:

﴿إِنَّمَا ذَلِكُمُ الشَّيْطَانُ يُخَوِّفُ أَوْلِيَاءَهُ فَلا تَخَافُوهُمْ وَخَافُونِ إِنْ كُنْتُمْ مُؤْمِنِينَ(آل عمران:175)

“Voorwaar, het was slechts de Satan die (jullie) bang maakt met zijn volgelingen. Weest daarom niet bang voor hen, weest bang voor Mij, indien jullie gelovigen zijn.” (Aayah: 3/175).

Allaah zegt over de gelovigen:

﴿إِنَّ الَّذِينَ هُمْ مِنْ خَشْيَةِ رَبِّهِمْ مُشْفِقُونَ(المؤمنون:57)

“Voorwaar, degenen van hen die bedacht zijn vanwege hun ontzag voor Allaah.” (Aayah: 23/57).

Een voorbeeld daarvan uit het dagelijkse leven:

Tegenwoordig worden de graven vaak bezocht om hulp te vragen aan degenen die daarin begraven liggen. Wanneer men één van deze bezoekers aanspreekt en adviseert om degene die onder het graf ligt niet om hulp te vragen, wordt de bezoeker boos, en kijkt links en rechts -alsof degene die begraven ligt hem kan horen- en zegt: “Kijk uit, je mag niet zo praten. Als hij boos wordt, straft hij jou!” Deze bezoeker wordt uit liefde voor degene die begraven ligt boos, en wordt bang dat hij ook bestraft zal worden, terwijl de dode in het graf ligt en niet aanwezig is. Dit is een duidelijk voorbeeld van liefde, angst en ontzag voor iemand naast Allaah, en dat is a-Shirk.

Zo weten we dat we deze twee aspecten slechts naar Allaah moeten richten. Tevens moeten deze beide aspecten in een aanbidding aanwezig zijn. Zo moet de moslimdienaar Allaah met volmaakte liefde voor Hem en volmaakte angst en ontzag jegens Hem, zijn aanbidding verrichten. Allaah subhaanahu wa-ta3aalaa zegt:

﴿أُولَئِكَ الَّذِينَ يَدْعُونَ يَبْتَغُونَ إِلَى رَبِّهِمُ الْوَسِيلَةَ أَيُّهُمْ أَقْرَبُ وَيَرْجُونَ رَحْمَتَهُ وَيَخَافُونَ عَذَابَهُ إِنَّ عَذَابَ رَبِّكَ كَانَ مَحْذُوراً(الاسراء:57)

“Zij (de veelgodenaanbidders) zijn degenen die aanroepen, (en zij die aangeroepen worden) zoeken naar een middel tot hun Heer. Wie van hen het dichtst bij (hun Heer) zijn en op Zijn barmhartigheid hopen en Zijn bestraffing vrezen: voorwaar, een bestraffing van jouw Heer is te vrezen.” (Aayah: 17/75).

Hij subhaanahu wa-ta3aalaa zegt ook:

﴿إِنَّهُمْكَانُوا يُسَارِعُونَ فِي الْخَيْرَاتِ وَيَدْعُونَنَا رَغَباً وَرَهَباً و كَانُوا لَنَا خَاشِعِينَ(الانبياء: من الآية90)

“Voorwaar, zij wedijverden in goede daden en riepen Ons aan, verlangend (naar Onze genade) en vol ontzag (voor Onze bestraffing). En zij waren ootmoedig tegenover Ons.” (Aayah: 21/90).

De moslimdienaar mag niet slechts met één aspect Allaah subhaanahu wa-ta3aalaa aanbidden.

قال شيخ الإسلام ابن تيمية: » من عبد الله بالحب وحده فهو زنديق، ومن عبده بالخوف وحده فهو حروري، ومن عبده بالرجاء وحده فهو مرجئ، ومن عبده بالحب والرجاء والخوف فهو مؤمن موحد‏.‏ «

Shaykhu-l-Islaam ibn Taymiyyah zei: “Wie Allaah slechts met liefde aanbidt, voorwaar, hij is een heiden[2]. En wie Allaah slechts met angst aanbidt, voorwaar, hij is een Haroerie[3]. En wie Allaah slechts met verlangen aanbidt, voorwaar, hij is een Murdji’[4]. En wie Allaah aanbidt met liefde voor Hem en verlangen naar Zijn barmhartigheid en ontzag jegens Hem subhaanahu wa-ta3aalaa, voorwaar, dat is een gelovige monotheïst.”

Zo is de liefde voor Allaah en het verlangen naar Zijn Barmhartigheid hetgeen wat de dienaar drijft. Het ontzag en de angst laten de dienaar terugkeren van dwaling.

Dat betekent dat wanneer men geen ontzag en angst in zijn aanbidding voor Allaah heeft, men de bestraffing van Allaah minacht. Zo wordt het makkelijker voor diegene om een zonde te plegen. Allaah subhaanahu wa-ta3aalaa zegt:

﴿أَفَأَمِنُوا مَكْرَ اللَّهِ فَلا يَأْمَنُ مَكْرَ اللَّهِ إِلَّا الْقَوْمُ الْخَاسِرُونَ(لأعراف:99)

“Voelen zij zich soms veilig voor het plan van Allaah? Niemand voelt zich veilig voor het plan van Allaah, behalve het verliezende volk.” (Aayah: 7/99).

Ook mag men Allaah niet slechts met angst en ontzag aanbidden. Dat kan namelijk leiden tot het wantrouwen van Allaah en dat men zijn vertrouwen in het verkrijgen van de Barmhartigheid van Allaah verliest. Allaah subhaanahu wa-ta3aalaa zegt:

﴿ِنَّهُ لا يَيْأَسُ مِنْ رَوْحِ اللَّهِ إِلَّا الْقَوْمُ الْكَافِرُونَ(يوسف: من الآية87)

“Voorwaar, niemand wanhoopt aan de genade van Allaah, behalve het ongelovige volk.” (Aayah: 12/87).

Hij subhaanahu wa-ta3aalaa zegt:

﴿قال وَمَنْ يَقْنَطُ مِنْ رَحْمَةِ رَبِّهِ إِلَّا الضَّالُّونَ(الحجر: من الآية56)

“Hij (Ibraahiem) zei: “Niemand wanhoopt aan de Barmhartigheid van zijn Heer dan de dwalenden.” (Aayah: 15/56).



[1] “Ontzag” betekent: eerbiedige vrees voor iemand of iets.

[2] “Heiden” betekent: ongelovig, iemand die niet in Allaah gelooft.

[3]Haroerie’ komt van ‘al-Haroeriyyah’; dat is een groepering die een vertakking is van de grote groepering al-Khawaaridj (de benaming van de eerste dwalende groepering binnen de Islaam).

[4] Voor uitleg zie vraag 36.