Vraag 20: Wat is het bewijs voor de voorwaarde: kennis vanuit het Boek en a-Ssunnah?

Antwoord: De uitspraak van Allaah subhaanahu wa-ta3aalaa:

﴿إِلاَّ مَنْ شَهِدَ بِالْحَقِّ وَهُمْ يَعْلَمُونَ (الزخرف: من الآية86)

“behalve wie van de waarheid getuigen terwijl zij kennis hebben.” (Aayah: 43/86).

 

Zij getuigen van de waarheid ‘laa ilaaha illa-llaah’ terwijl zij kennis hebben over wat zij met hun tongen uitspreken.

En de uitspraak van de Profeet salla-llaahu 3alayhi wa-sallam: «Wie sterft terwijl hij (bewust) weet dat er geen god dan Allaah is, voorzeker, hij treedt het paradijs binnen.”»

 

Uitleg: De voorwaarde voor acceptatie:

Kennis is de basis en het licht van alle zaken. Zonder kennis kan men namelijk niet correct handelen. Kennis komt voor de uitspraak en de werken.

De eerste voorwaarde waaraan men moet voldoen zodat de getuigenis ‘laa ilaaha illa-llaah’ geaccepteerd wordt, is kennisnemen van de betekenis ervan. Allaah subhaanahu wa-ta3aalaa zegt:

 

﴿فَاعْلَمْ أَنَّهُ لا إِلَهَ إِلَّا اللَّهُ (محمد: من الآية19)

“Weet dat er geen god is behalve Allaah.” (Aayah: 47/19).

 

Allaah subhaanahu wa-ta3aalaa verplicht Zijn Boodschapper salla-llaahu 3alayhi wa-sallam om allereerst kennis te nemen van het feit dat Hij de Enige is Die aanbeden dient te worden, en daarna pas deze aanbidding te verrichten.

 

Voordat men de woorden van het monotheïsme ‘laa ilaaha illa-llaah’ uitspreekt, dient men kennis te nemen van de werkelijke betekenis ervan. Men kan namelijk de werkelijke bedoeling van die woorden slechts begrijpen als men kennis neemt van de werkelijke betekenis ervan (de ontkenning –dat er geen god aanbeden mag worden- en de erkenning –dat alleen Allaah de Enige is Die aanbeden dient te worden-). Vandaar dat de betekenis van ‘laa ilaaha illa-llaah’ slechts uit de twee hoofdbronnen van de Islaam afgeleid moeten worden, namelijk: de Qur’aan en de uitspraken van de Profeet salla-llaahu 3alayhi wa-sallam (a-Ssunnah).

 

Allaah subhaanahu wa-ta3aalaa zegt namelijk:

 

﴿وَلا يَمْلِكُ الَّذِينَ يَدْعُونَ مِنْ دُونِهِ الشَّفَاعَةَ إِلاَّ مَنْ شَهِدَ بِالْحَقِّ وَهُمْ يَعْلَمُونَ (الزخرف: من الآية86)

“En degenen die zij naast Hem aanroepen beschikken niet tot de mogelijkheid tot voorspraak, behalve wie van de waarheid getuigen terwijl zij kennis hebben.”

(Aayah: 43/86).

 

Allaah subhaanahu wa-ta3aalaa zegt in dit vers dat degenen die de ongelovigen naast Allaah aanbidden –aan voorwerpen en personen- hen in het hiernamaals niets zullen baten. Maar degenen die met kennis van de waarheid hebben getuigd (terwijl zij kennis hebben), de voorspraak zal hun baten.

 

عن عثمان رضي الله عنه قال: قال رسول الله صلى الله عليه وسلم: «من مات وهو يعلم أنه لا إله إلاَّ الله دخل الجنة» رواه مسلم.

3uthmaan Moge Allaah behaagd met hem zijn heeft gezegd dat de Boodschapper van Allaah salla-llaahu 3alayhi wa-sallam gezegd heeft: «Wie sterft terwijl hij (bewust) weet dat er geen god dan Allaah is, voorzeker, hij treedt het paradijs binnen.”»[1]

 

Deze hadieth bewijst dat wanneer men sterft terwijl hij geen kennis heeft van ‘laa ilaaha illa-llaah’, hij het paradijs niet binnen treedt.

De betekenis van ‘laa ilaaha illa-llaah’ hebben we uitgebreid behandeld bij vraag 18.

 

De voorwaarde voor volmaaktheid:

Tevens is het verschil tussen degenen met kennis en degenen zonder kennis net als de levende en de dode, en de ziende en de blinde. Degene die kennis bezit heeft namelijk licht waarmee hij in de duisternis kan kijken, maar degene die geen kennis heeft kan niet voor zich kijken om het juiste pad te volgen.

De basis van kennis is kennis van het monotheïsme. Hiermee krijgt men de basis van het licht waarmee hij in dit leven zijn weg naar de barmhartigheid van Allaah moet vinden. Maar de moslim is ook verplicht om kennis te nemen van hetgeen dat uit deze getuigenis voortvloeit, namelijk de aanbiddingen die Allaah subhaanahu wa-ta3aalaa en Zijn Boodschapper elke moslim verplicht hebben, zoals het gebed, het vasten, de Zakaah en andere aanbiddingen. Dat is namelijk de voorwaarde voor de volmaaktheid van het Geloof.

عن أنس بن مالك قال قال: »رسول الله صلى الله عليه وسلم: طلب العلم فريضة على كل مسلم« رواه مسلم وابن ماجة.

Anas ibn Maalik Moge Allaah behaagd met hem zijn heeft verhaald dat de Profeet salla-llaahu 3alayhi wa-sallam heeft gezegd: «Het vergaren van kennis is een verplichting voor elke moslim.”»[2]

 

Allaah subhaanahu wa-ta3aalaa zegt:

 

﴿ قُلْ هَلْ يَسْتَوِي الَّذِينَ يَعْلَمُونَ وَالَّذِينَ لا يَعْلَمُونَ (الزمر: من الآية9)

“Zeg: “Zijn degenen die kennis hebben gelijk aan degenen die geen kennis hebben?” (Aayah: 39/9).

 

Degenen met kennis zijn tevens degenen die Allaah het meest vrezen. Zij weten namelijk het beste wat Allaah hun voorgeschreven heeft en wat hen in het hiernamaals te wachten staat. Allaah de Heilige en Verheven zegt:

﴿إِنَّمَا يَخْشَى اللَّهَ مِنْ عِبَادِهِ الْعُلَمَاءُ (فاطر: من الآية28)

“Voorwaar, het zijn slechts de bezitters van kennis onder Zijn dienaren die Allaah vrezen.” (Aayah: 35/28).

 

Dat betekent dat hoe meer kennis men heeft, des te meer men Allaah vreest. Maar als men de basis van kennis niet heeft –kennis van ‘laa ilaaha illa-llaah’- zal men ook geen basis van vrees voor Allaah hebben.

 



[1]Sahieh, deze hadieth is overgeleverd en sahieh verklaard door imaam Muslim.

[2] Sahieh, deze hadieth is overgeleverd en sahieh verklaard door imaam Muslim en imaam ibn Maadjah.