6.7. De bederving van de wudoe’ tijdens de Salaah

Hadieth 68

وَعَنْ عَائِشَةَ رَضِيَ اَللَّهُ عَنْهَا؛ أَنَّ رَسُولَ اَللَّهِ صَلَّى عَلَيْهِ وَسَلَّمَ قَالَ: «مَنْ أَصَابَهُ قَيْءٌ أَوْ رُعَافٌ، أَوْ قَلَسٌ، أَوْ مَذْيٌ فَلْيَنْصَرِفْ فَلْيَتَوَضَّأْ، ثُمَّ لِيَبْنِ عَلَى صَلاتِهِ، وَهُوَ فِي ذَلِكَ لا يَتَكَلَّمُ». أَخْرَجَهُ اِبْنُ مَاجَه وَضَعَّفَهُ أَحْمَدُ وَغَيْرُهُ.

3aa’ishah radiya-llaahu 3anhaa heeft verhaald dat de Profeet salla-llaahu 3alayhi wa-sallam gezegd heeft: “Degene die (tijdens de Salaah) getroffen wordt door braak, neusbloeden, braakneigingen of voorvocht, laat hem dan de wudoe’ verrichten en vervolgens zijn gebed af maken, en niet spreken terwijl hij in deze situatie is.”[1]

Bewijsstukken:

Aboe Hurayrah radiya-llaahu 3anhu heeft verhaald, hij zei: “De Profeet salla-llaahu 3alayhi wa-sallam kwam naar buiten om de Salaah te verrichten en verrichtte de Takbier. Vervolgens wees hij (met zijn hand) naar hen. Zij bleven (in hun houding) staan. Hij salla-llaahu 3alayhi wa-sallam ging weg en verrichtte de ghusl. Zijn hoofd druppelde water. Vervolgens leidde hij hen in de Salaah. Toen hij uit (de Salaah) trad zei hij: “Ik kwam naar buiten (om de Salaah te verrichten) terwijl ik djunub was, en vergat dat, totdat ik de Salaah binnentrad.”[2]

 

Oordelen:

Deze hadieth zou bewijzen dat braak, braakneigingen en neusbloeden bedervers zijn van de wudoe’. Omdat deze hadieth da3ief is verklaard, en geen andere hadieth hetgeen bewijst wat deze hadieth inhoudt, zijn deze zaken geen bedervers van wudoe’.

De hadieth in de uitleg bewijst dat wanneer men de Salaah binnentreedt en zich tijdens zijn Salaah herinnert dat hij geen geldige wudoe’ heeft, hij de Salaah moet stoppen, de wudoe’ moet gaan verrichten en daarna zijn Salaah moet hervatten waar hij het gestopt heeft. Tot dit oordeel is imaam al-Albaanie gekomen.

Betreffende het voorvocht zijn de geleerden het erover eens dat het de wudoe’ bederft, wegens de hadieth van 3alie radiya-llaahu 3anhu die hieraan voorafgegaan is.[3]


[1] Da3ief, deze hadieth is overgeleverd door imaam ibn Maadjah en is da3ief verklaard door imaam Ahmad en imaam al-Albaanie.

[2] Hasan, deze hadieth is overgeleverd door imaam ibn Maadjah en is hasan verklaard door imaam al-Albaanie.

[3] Zie hadieth 63.