8.3. Het binnentreden van de Islaam

Hadieth 103

وَعَنْ أَبِي هُرَيْرَةَ رضي الله عنه «-فِي قِصَّةِ ثُمَامَةَ بْنِ أُثَالٍ، عِنْدَمَا أَسْلَم- وَأَمَرَهُ اَلنَّبِيُّ صلى الله عليه وسلم أَنْ يَغْتَسِلَ». رَوَاهُ عَبْدُ اَلرَّزَّاق وَأَصْلُهُ مُتَّفَقٌ عَلَيْه.

Aboe Hurayrah radiya-llaahu 3anhu heeft–in het verhaal van de bekering van Thumaamah ibn Uthaal tot de Islaam- verhaald: “Vervolgens beval de Profeet salla-llaahu 3alayhi wa-sallam hem de ghusl (grote wassing) te verrichten.”[1]

Bewijsstukken:

Qays ibn 3aasim radiya-llaahu 3anhu heeft verhaald, hij zei: “Ik kwam naar de Boodschapper van Allaah salla-llaahu 3alayhi wa-sallam om de Islaam binnen te treden. Hij beval mij met water en sidr de ghusl te verrichten.”[2]

Uitleg:

‘Sidr’ is een soort doorn.

Oordelen:

Deze hadieth bewijst dat wanneer een ongelovige de Islaam binnentreedt, hij verplicht is de ghusl de verrichten. Dat bewijst ook de hadieth van Qays ibn 3aasim.

De manier van deze ghusl is dezelfde als die van de andere soort ghusl. Er is namelijk geen specificatie betreffende deze soort ghusl.


[1] Sahieh, deze hadieth is overgeleverd door imaam 3abdu-Rrazzaaq a-Ssan3aanie in zijn boek: ‘al-Musannaf’. De oorsprong van deze hadieth is overgeleverd en sahieh verklaard door imaam al-Bukhaarie en imaam Muslim.

[2] Sahieh, deze hadieth is overgeleverd door imaam aboe Daawoed en is sahieh verklaard door imaam al-Albaanie.