8.5. Het aanraken van de Qur’aan (het Boek) tijdens de djanaabah

Hadieth 106

وَعَنْ عَلِيٍّ رضي الله عنه قَالَ: «كَانَ رَسُولُ اَللَّهِ صلى الله عليه وسلم يُقْرِئُنَا اَلْقُرْآنَ مَا لَمْ يَكُنْ جُنُبًا». رَوَاهُ اَلْخَمْسَةُ، وَهَذَا لَفْظُ اَلتِّرْمِذِيِّ وَحَسَّنَةُ، وَصَحَّحَهُ اِبْنُ حِبَّان.

3alie ibn abie Taalib radiya-llaahu 3anhu heeft verhaald, hij zei: De Boodschapper van Allaah salla-llaahu 3alayhi wa-sallam reciteerde de Qur’aan met ons zolang hij niet djunub was.[1]

Bewijsstukken:

Aboe Hurayrah radiya-llaahu 3anhu heeft verhaald, hij zei: “De Boodschapper van Allaah salla-llaahu 3alayhi wa-sallam trof me in één van de straten van Medienah aan terwijl ik djunub was. Vervolgens ontweek ik hem, ging de ghusl verrichten en kwam weer terug. (De Profeet salla-llaahu 3alayhi wa-sallam) vroeg mij: “O aboe Hurayrah, waar was je?” Ik zei: “Ik was djunub en wilde niet met je zitten terwijl ik me niet in een reine situatie bevind.” (De Profeet salla-llaahu 3alayhi wa-sallam) zei toen: “Subhaana-llaah”, heilig is Allaah, voorwaar, de moslim wordt niet onrein.”[2]

3aa’ishah radiya-llaahu 3anhaa heeft verhaald, zij zei: “De Boodschapper van Allaah gedacht Allaah in al zijn situaties.”[3]

Oordelen:

Alle ahaadieth waarin het verbod op het aanraken van de Qur’aan en of het reciteren van de Qur’aan in een djanaabah situatie zich bevindt, zijn door imaam al-Albaanie da3ief verklaard. Dat betekent dat dit oordeel ook onjuist is. De geleerden die deze ahaadieth sahieh verklaren, zijn wel tot dit oordeel gekomen, zoals imaam ibn Baaz.

De hadieth van aboe Hurayrah en 3aa’ishah bewijzen dat de moslim in al zijn situaties Allaah mag gedenken, de Qur’aan mag reciteren en de Qur’aan mag aanraken. Echter is het wel mandoeb om de wassing of tayammum te verrichten alvorens men Allaah gedenkt. Tot dit oordeel is ook imaam al-Albaanie gekomen. Zie ook ahaadieth 71 en 72.


[1] Da3ief, deze hadieth is overgeleverd door de imaams: aboe Daawoed, a-Ttirmidhie ibn Maadjah, a-Nnasaa’ie en ibn Hibbaan en is da3ief verklaard door imaam al-Albaanie.

[2] Sahieh, deze hadieth is overgeleverd en sahieh verklaard door imaam al-Bukhaarie en imaam Muslim. Deze uitspraak is van imaam aboe Daawoed.

[3] Sahieh, deze hadieth is overgeleverd en sahieh verklaard door imaam al-Bukhaarie en imaam Muslim.