10.4. De penitentie van het hebben van gemeenschap met de menstruerende vrouw

Categorie: De Menstruatie

Hadieth 133

وَعَنِ اِبْنِ عَبَّاسٍ رَضِيَ اَللَّهُ عَنْهُمَا، عَنِ اَلنَّبِيِّ صلى الله عليه وسلم -فِي اَلَّذِي يَأْتِي اِمْرَأَتَهُ وَهِيَ حَائِضٌ- قَالَ: «يَتَصَدَّقُ بِدِينَارٍ، أَوْ نِصْفِ دِينَارٍ». رَوَاهُ اَلْخَمْسَةُ، وَصَحَّحَهُ اَلْحَاكِمُ وَابْنُ اَلْقَطَّانِ، وَرَجَّحَ غَيْرَهُمَا وَقْفَه.

3abdu-llaah ibn 3abbaas radiya-llaahu 3anhumaa heeft verhaald, dat de Profeet salla-llaahu 3alayhi wa-sallam heeft gezegd, -betreffende de man die gemeenschap heeft met zijn vrouw tijdens haar menstruatieperiode-: “Laat hem één Dienaar of een halve Dienaar aan aalmoes uitgeven.”[1]

Bewijsstukken:

3abdu-llaah ibn 3abbaas radiya-llaahu 3anhumaa heeft gezegd: “Als het rood bloed is, dan is het één Dienaar, en als het gelig bloed is, dan is het een halve Dienaar.”[2]

Uitleg:

‘Dienaar’ is een gouden betaalmunt waarmee de Arabieren vroeger betaalden. Imaam al-Albaanie heeft het vergeleken met een halve gouden Britse pond.[3]

Oordelen:

Deze hadieth is een bewijs dat gemeenschap gedurende de menstruatieperiode Haraam is. Hierover is overeenstemming bij de geleerden.

Overigens bewijst deze hadieth dat de penitentie van deze zonde, het uitgeven van één Dienaar of een halve Dienaar is. Sommige geleerden hebben deze hadieth da3ief verklaard en zijn van mening dat er geen specifieke penitentie voor is. Eén van deze geleerden is imaam a-Shaafi3ie.

De athar van ibn 3abbaas radiya-llaahu 3anhu bewijst dat wanneer de man gemeenschap heeft terwijl het bloed nog rood is, hij één Dienaar als penitentie moet uitgeven, en wanneer hij gemeenschap heeft terwijl het bloed gelig is geworden, hij een halve Dienaar moet uitgeven. Sommige geleerden, zoals imaam al-Albaanie, hebben gezegd dat hij vrij van keuze is.


[1] Sahieh, deze hadieth is overgeleverd door de imaams: aboe Daawoed, a-Ttirmidhie, ibn Maadjah, a-Nnasaa’ie en al-Haakim, en is sahieh verklaard door imaam al-Haakim, imaam ibn al-Qattaan, imaam ibn Daqieq al-3ied, imaam ibn al-Qayyim en imaam al-Albaanie. Anderen hebben gezegd dat het de uitspraak van ibn 3abbaas is.

[2] Sahieh, deze athar is overgeleverd door imaam a-Ttirmidhie en is sahieh verklaard door imaam al-Albaanie.

[3] Zie zijn boek: ‘Aadaab a-zzafaaf’.