Het tweede vraagstuk: de berichten van de waarzeggers over zijn komst

Categorie: Kennis

3abdu-llaah ibn 3umar radiya-llaahu 3anhumaa heeft verhaald, hij zei: “Al hetgeen waarover ik 3umar hoorde zeggen: “Ik denk dat het zus en zo is,”, komt uit zoals hij gedacht heeft. Terwijl 3umar op een dag zat, liep een mooie man langs hem. 3umar zei: “Als ik me niet vergis is hij nog in de tijd van al-djaahiliyyah[1] of hij was hun waarzegger. Laat hem naar me komen.” De man werd voor hem geroepen, en hij vertelde hetzelfde. De man zei: “Ik heb nog nooit zo’n dag meegemaakt waarin een moslim op zo’n wijze ontvangen is.” Hij (3umar) zei: “Ik sta erop dat je het mij vertelt.” De man zei: “Ik was hun waarzegger.” Hij 3umar vroeg: “Wat is de meest vreemde zaak waarmee jouw djinn naar je toe gekomen is?” Hij (de man) zei: “Terwijl ik op een dag op de markt was kwam een vrouwelijke djinn naar me toe waarvan ik wist dat ze angstig was, en zei: “Heb je de djinns gezien terwijl ze afluisterden, en daarna wanhoop kregen in het afluisteren nadat zij het gewend waren.” Hij vervolgde: “Geloof me, terwijl ik (op een dag) bij één van hun goden sliep, kwam er een man met een kalf die hij vervolgens (daar) slachtte. Vervolgens schreeuwde iemand op hem. Ik heb daarvoor niemand zo hard horen schreeuwen, hij zei (schreeuwend): “O Djalieh…een goede zaak…een welsprekende man die zegt: “Laa ilaaha illa-llaah”, niets heeft het recht om aanbeden te worden behalve Allaah.” De mensen ontwaakten toen. Ik zei (tegen mijzelf): “Ik zal niet weggaan totdat ik weet wat hierachter zit.” Vervolgens riep hij (weer): “O Djalieh…een goede zaak…een welsprekende man die zegt: “Laa ilaaha illa-llaah”, niets heeft het recht om aanbeden te worden behalve Allaah.” Vervolgens stond ik op. Het duurde voor ons maar even, of er werd tegen ons gezegd: “Dit is een profeet.”[2]

Djaabir ibn 3abdi-llaah radiya-llaahu 3anhu heeft verhaald, hij zei: “Voorzeker, het eerste bericht dat wij kregen over de Boodschapper van Allaah is van een vrouw die een djinn als vriend had. Hij naderde tot haar in de gedaante van een vogel en stond op een tak. De vrouw zei tegen hem: “Kom je niet naar beneden zodat je ons bericht en ik jou bericht?!” Hij zei: “Er is een man in Mekkah verschenen die ons ontucht verbiedt, en ons het verblijf (in een mensenlichaam) verbiedt.”[3]


[1] ‘Al-djaahiliyyah’ is de benaming van de tijd waarin de ongelovigen voordat ze de Islaam binnentraden verkeerden, en betekent letterlijk: de tijd van onwetendheid.

[2] Deze hadieth is overgeleverd door imaam al-Bukhaarie en imaam al-Bayhaqie.

[3] Deze hadieth is overgeleverd door imaam Ahmad, imaam aboe Na3iem, imaam ibn Sa3d en imaam a-Ttabaraanie.