Deel 4: Het verhaal van de graving van (de put) Zemzem

Categorie: Kennis

3alie ibn abie Taalib Moge Allaah behaagd met hem zijn heeft verhaald, hij zei: “3abdul-Muttalib zei: “Voorwaar, terwijl ik in al-Hidjr[1] sliep, kwam iemand tot mij (in mijn droom), en zei tegen mij: “Graaf Taybah[2].” Ik vroeg: “En wat is Taybah?” Toen verdween hij.

De volgende dag keerde ik terug naar mijn slaapplek, en sliep ik daarin. Vervolgens kwam diegene (nogmaals) tot mij en zei: “Graaf Barrah[3].” Ik vroeg: “Wat is Barrah?” Toen verdween hij.

De volgende dag keerde ik terug naar mijn slaapplek, en sliep ik daarin. Vervolgens kwam diegene (nogmaals) tot mij en zei: “Graaf al-Madnoenah.[4]” Ik vroeg: “Wat is al-Madnoenah?” Toen verdween hij.

De volgende dag keerde ik terug naar mijn slaapplek, en sliep ik daarin. Vervolgens kwam diegene (nogmaals) tot mij en zei: “Graaf Zemzem.[5]” Ik vroeg: “Wat is Zemzem?” Hij zei: “Het droogt nooit uit en het vermindert niet, en het verschaft drinken voor de geweldige bedevaart, en het is tussen de lever en het bloed, bij het gepik van de kraai met de witte pootjes, en bij het dorp van de mieren[6].”

Toen de zaak voor hem duidelijk werd, hij wist waar de plek was, en hij wist dat diegene hem de waarheid zei, nam hij zijn spade en met hem zijn zoon al-Haarith ibn 3abdul-Muttalib, in die tijd had hij geen andere zoon behalve hem. Hij groef ermee, en toen de rand van de put voor hem zichtbaar werd, zei hij: “Allaahu akbar.” Op dat moment wist Quraysh dat hij zijn behoefte had bereikt, waarop zij naar hem opstonden en tegen hem zeiden: “O 3abdu-l-Muttalib, het is de put van onze vader Ismaa3iel, zodoende hebben wij daarin ook een recht, voorwaar, ken ons als deelgenoten daarin toe.” Hij zei: “Dat zal ik niet doen, voorzeker, mij is deze zaak buiten jullie toegewezen en ik ben onder jullie voor deze zaak verkozen.” Zij zeiden tegen hem: “Laat onze gerechtigheid wedervaren[7], voorwaar, wij zullen jou niet met rust laten, totdat wij met jou daarover twisten.” Waarop hij zei: “Wijst tussen mij en jullie iemand aan, waarbij ik jullie kan laten berechten.” Zij zeiden: “De waarzegster van banie Sa3d ibn Hudhaym?” Hij zei: “Ja.” Zij bevond zich aan de bergen van a-Shaam.

Vervolgens stapte 3abdu-l-Muttalib met enkelen onder banie Umayyah (op hun rijdieren), en stapten van elke stam onder Quraysh enkelen (op hun rijdieren). Zij vertrokken terwijl het grondgebied (waarop zij) op dat moment (reden) afgelegen was. Toen zij onderweg waren, raakte het water van 3abdu-l-Muttalib en zijn vrienden op, waardoor zij dorst kregen, totdat zij van de dood verzekerd waren. Vervolgens vroegen zij hun reisgenoten om water, en deze weigerden (hen wat te geven), en zeiden: “Voorwaar, wij bevinden ons in een afgelegen grondgebied, en wij vrezen voor onszelf wat jullie heeft getroffen.” Vervolgens zei 3abdu-l-Muttalib: “Ik denk dat het beter is dat elke man onder jullie zijn eigen graf graaft met wat jullie nu hebben aan kracht, en telkens wanneer iemand sterft, stoppen zijn vrienden hem in zijn graf en bedekken zij hem (met zand), totdat er maar één man overblijft. Voorwaar, het verlies van één man is minder erg dan het verlies van een gehele groep rijders.” Zij zeiden: “Hetgeen jij bevolen hebt is juist.” Vervolgens groef eenieder een graf voor zichzelf, en wachtten zij dorstig op de dood. Vervolgens zei 3abdu-l-Muttalib: “Bij Allaah, voorzeker, het feit dat we onszelf op deze manier in de dood werpen, waarin we niet door het land trekken en geen oplossing voor onszelf gaan zoeken, is een gebrekkigheid. Voorwaar, het kan zijn dat Allaah ons ergens van water voorziet, vertrekt.” Vervolgens braken zij op. Toen 3abdu-l-Muttalib zijn rijdier liet opstaan, barste vanonder haar poot een zoetwaterbron, waarop 3abdu-l-Muttalib en vervolgens ook zijn reisgenoten “Allaahu-akbar” zeiden. Vervolgens stapte hij af, dronk (daarvan), en dronken ook zijn reisgenoten. Zodoende lesten zij hun dorst en vulden zij hun waterbuidels aan. Vervolgens riep hij de (rest) van de Qurayshstammen bijeen, terwijl zij hen bezichtigden in die situaties, en zei: “Komt bijeen tot het water, voorzeker Allaah heeft ons te drinken gegeven.” Vervolgens kwamen zij en dronken zij en lieten zij eenieder drinken. Vervolgens zeiden zij: “Bij Allaah, voorzeker, Hij subhaanahu wa-ta3aalaa heeft voor jou tegen ons geoordeeld. Bij Allaah, wij zullen met jou nooit over Zemzem twisten, voorzeker, Degene Die jou in dit afgelegen gebied dit water te drinken heeft geschonken, is Degene Die jou Zemzem te drinken heeft geschonken. Voorwaar, keer veilig terug naar jou water.” Hij keerde terug, en zij keerden met hem terug. Zij kwamen nooit aan bij de waarzegster, en zij kwamen niet tussen hem en Zemzem.”[8]

Ibn Ishaaq zei: “Dit is wat mij verhaald is van 3alie, betreffende Zemzem.”


[1] “Al-Hidjr” is een muur in de vorm van een halve cirkel die de grens van de Ka3bah aangeeft.

[2] “Taybah” komt in het Arabisch van “a-Ttieb” en betekent zuivere goedheid. Tevens is Taybah één van de benamingen van Medienah.

[3] “Barrah” komt in het Arabisch van “al-Birr” en betekent goedheid en reinheid.

[4] “Al-Madnoenah” betekent het dure/schaarse, hetgeen waarover men gierig is.

[5] “Zemzem” komt in het Arabisch van “a-Zzemzemeh” en is het gepraat dat niet begrepen wordt oftewel het gemompel. Hiermee wordt het geluid van het water met het gemompel vergeleken.

[6] Met “dorp van de mieren” wordt een mierennest bedoeld.

[7] Hiermee wordt bedoeld: “Behandel ons met rechtvaardigheid.”

[8] Deze hadieth is overgeleverd door imaam al-Bayhaqie, imaam ibn Ishaaq, imaam ibn Sa3d en imaam ibn Hishaam.